31 december 2006

Liefdewerk oud papier.

Artikels schrijven is vaak liefdewerk oud papier. De uitdrukking wordt gebruikt m.b.t. een werkzaamheid die gratis wordt verricht.

‘Liefdewerk’ was vroeger de benaming voor een rooms-katholieke instelling die aan liefdadigheid deed. Werk is hier een vertaling van het Franse ‘oeuvre’. Zo was er het liefdewerk ‘Hulp voor de soldaten aan het Belgische front.’ Het liefdewerk ‘Oud Papier’ zetelde sinds 1874 in Amsterdam. Doel van deze vereniging was oud papier inzamelen om werk te verschaffen.

Gourmand en gourmet.

Met de jaarwisseling is het weer vreten en drinken geblazen.
Smulpapen, zo noemde men in de achttiende eeuw de geestelijken die met veel overgave de tafel eer aandeden. Later ging men dit woord ook toepassen op eenieder die voortdurend de mot in de maag heeft en van smarotsen (schransen, van Hoogduits schmarotzen. Eigenlijk: klap­lopen) niet vies is.
Mensen die een haast fanatieke preoccupatie met eten hebben, worden ook wel eens gourmands of gourmets genoemd.

Alhoewel; de huidige, aan dure delicatessen en exotische schotels gewend zijnde eetsnobs, halen de wenkbrauwen op wanneer je die termen laat vallen.
De voedselconnaiseurs bepalen tegenwoordig de trend. De obsessie met eten is geen hobby meer, nee, ze is vervlochten met het hele bestaan van de voedselfreaks.
Tot in de achttiende eeuw waren gourmand en gourmet synoniemen. Beide benamingen worden nog wel eens met elkaar verward maar toch zijn er duidelijk verschillen.

Een gourmand is een lekkerbek of gulzigaard, iemand met een elastieken maag. Het woord roept Rabelaisiaanse taferelen op. Bij deze dienaar van de buik gaat het vooral om de hoeveelheid eten en drinken, terwijl een gourmet meer staat voor een fijnproever op gastronomisch gebied, een connaisseur van spijs en drank. De laatste is een autoriteit op het vlak van selecteren en klaarmaken van lekker eten. Daarnaast is hij of zij ook een gekwalificeerd kenner van zeer goede wijnen. De gourmet is dus niet noodzakelijk een veelvraat of hollebolle Gijs. In feite is hij door zijn discriminatie bij het kiezen van voedsel, een spaarzame eter. Hij houdt van zeldzame schotels. Vandaag de dag betekent gourmet iemand met een verfijnde en gecultiveerde smaak in zowel spijs als drank. Soms wordt het woord ook wel eens ironisch gebruikt voor iemand met een obsessie voor eten. Terwijl een gourmand meer oog heeft voor kwantiteit dan voor kwaliteit, is het bij een gourmet precies andersom!

Het woord gourmand dateert van ca. 1354 en is van onbekende herkomst. Oorspronkelijk werd het gebruikt als adjectief, in de zin van ‘gulzig’. De gevoelswaarde die aanvankelijk pejoratief was (die van ‘slokop, iemand die meer eet dan strikt noodzakelijk’) veranderde rond 1890. Toen ging men er een kritisch en kieskeurig eter inzien. Tegenwoordig - in ons dieetbewust tijdperk - gebruiken we het woord terug als synoniem voor gulzigaard, al behoudt het in het Frans wel positieve connotaties.

Niettegenstaande de gelijkvormigheid zijn beide Franse termen niet aan elkaar verwant vermits vorm en betekenis van gourmet moderne ontwikkelingen zijn.

Over de gourmet zijn de etymologen het eens geraakt. Het zou een verbastering zijn van het oude Franse groumet. Sommige Engelse lexicografen zien een verwantschap met het Engelse groom (stalknecht). Gourmet werd in eerste instantie (in het Frans) toegepast op knechten en hulpjes in een huishouding. Onder die knechten waren er ook jongens die wijn proefden en zulke ‘wijnproevers’ of gourmets kregen dezelfde naam als degenen die assisteerden in wijnwinkels. Engelse bronnen wijzen erop dat de Britten de term gro(u)met, een verhaspeling van het Engelse groom, geïntroduceerd hebben bij de inwoners van Bordeaux tijdens de Honderdjarige Oorlog. Tot het eind van de zeventiende eeuw betekende het gewoon: expert-wijnproever. Pas in de 18de eeuw was de term van toepassing op het geheel van de gastronomie. Rond 1757 zou gourmet zijn huidige betekenis (fijnproever, iemand met voortreffelijke tafelmanieren) gekregen hebben, wellicht onder invloed van gourmand.

Een culinaire autoriteit noemt men met een ander geleerd woord ook een gastronoom, afgeleid van gastronomie, wat hogere kookkunst betekent.
Het woord werd in het begin van de negentiende eeuw ontleend aan het Griekse gastronomia, een samentrekking van gastèr (buik) en nomos (gewoonte, wijze). Het werd gevormd naar analogie van astronomia.

Gastronomia was ook de titel van een Grieks gedicht - in feite een culinaire verhandeling - geschreven door Archestratos, een tijdgenoot van Aristoteles ( 4de eeuw voor Christus). Bij de oude Grieken beschreef de gastronomie de regels voor de verfijnde kookkunst.
Als cultuurhistorische term kwam gastronomie vooral in gebruik door toedoen van Brillat-Savarin in diens bekende werk ‘Psychologie du goût’ (1825).

Tegenwoordig wordt er onder verstaan: ‘de kunst om goede maaltijden te bereiden, om haute cuisine (exclusieve gerechten) te serveren’.

Nauw verwant met gastronomie is de gastrolatrie (van het Griekse gastèr (buik) + latreia (verering): de overdreven zorg voor de maag. Dit woord heeft een pejoratieve betekenis: zwelgerij!

Van gastronomie werd in het Frans niet alleen gastronome afgeleid maar ook het veel minder bekende gastronomade: een toerist die wordt aangetrokken door goede tafels. Deze nieuwvorming heeft evenwel de jaren zeventig niet overleefd want ‘Le Petit Robert’ maakt er niet eens melding van.

14 december 2006

Te verschijnen


Ongeveer 2500 scheldwoorden uit Vlaanderen en Nederland.
Afgelikte boterham, cijferkonijn, diepvrieskip, discotrut, randdebiel, spaghettivreter, zeiksnor enz.
Dit is geen contemplatief werk zoals dat van Thomas van Aquino. U bent dus gewaarschuwd!

Verkrijgbaar vanaf april 2007
bij Standaard Uitgeverij.
ISBN 978.90.02.22286 3
Paperback, 450 p.
14 x 21,5 cm
Prijs: € 18,95

08 oktober 2006

Ich mach’s dir mexikanisch.


Duitsers en erotiek, het lijkt wel een contradictie.
Warmbloedigheid associëren we meestal met zuiderse typen: Fransen, Spanjaarden, Italianen.
De Hamburgse filosofieprofessor Christoph Gutknecht probeert ons er van te overtuigen dat Duitsers niet allemaal kwezels en femelaars zijn.

“Alle Menschen werden prüder (preutser)” luidt een grappig bedoelde persiflage op het beroemde vers van Friedrich Schiller.
Wie echter het boek van Gutknecht leest (het is geen woordenboek) wordt van het tegendeel overtuigd. ‘Ich mach’s dir mexikanisch’ (met als ondertitel: Lauter erotische Wörtgeschichten) is een erg vermakelijk en tegelijk informatief boekje van 244 pagina’s.
Hierin wordt, aan de hand van talrijke voorbeelden uit de literatuur, bewezen dat de Duitse taal helemaal niet zo fantasieloos en banaal is als we zouden vermoeden.

Woorden en uitdrukkingen uit de volkstaal, het vakjargon, het regionale taalgebruik en het dialect passeren de revue. En passant krijgen we een overvloed aan synoniemen voorgeschoteld. Ook de etymologie wordt niet vergeten.
De auteur heeft het o.a. uitgebreid over de herkomst van het woord ‘Kondom’. Hij geeft verscheidene synoniemen voor geslachtsdelen en andere lichaamsdelen, voor prostituées en huizen van plezier, voor homoseksuelen en voor de seksuele daad zelf.
Erotische spreekwoorden en uitdrukkingen (die Nase des Mannes; Ein Mann ohne Frau ist wie ein Vogel ohne Brille; Lieber nett im Bett als cool auf dem Stuhl) worden onder de loep genomen en vergeleken met anderstalige voorbeelden. Het verschil tussen een playboy, een Casanova en een Don Juan wordt omstandig uit de doeken gedaan.

Voor iemand die seksueel moeilijk te bevredigen is gebruikt men in Wenen de uitdrukking ‘a weisse ‘Leba haum’ (een witte lever hebben). En onze metafoor voor een forse boezem (hout voor de deur) kent men in Oostenrijk als ‘Hoeds fua da Hidden’ (Holz vor der Hütte).
Wie geen idee heeft wat de ‘Missionarsstellung’ inhoudt, zal zich verwonderen over de veelheid van standjes, of beter gezegd: de veelheid van Duitse termen hiervoor.
Gutknecht verklaart uitgebreid het verschil tussen ‘Griekisch, Bulgarisch, Russisch, florentinisch; schwedisch; japanisch enz.’
Bijzondere liefdespraktijken blijken nog de’chinesische Schlittenfart’ en –wie verzint het- de ‘Goldfisch-Sex’ (waarbij de handen niet mogen gebruikt worden).
Een Quickie of vluggertje wordt in het Duits ook wel ‘Spontanfick’ genoemd.

Er staan heel veel leuke en lezenswaardige dingen in dit boek. Alleen jammer dat de erotische terminologie wel moeilijk toegankelijk werd gemaakt. Een register achteraan in het boek had veel geholpen. De literatuuropgave is dan weer indrukwekkend.

Christophe Gutknecht: Ich mach’s mexikanisch. Lauter erotische Wortgeschichten.
Verlag C.H. Beck. ISBN 3 406 51099 X
Prijs: € 9,90

02 oktober 2006

Wachten op Godot.

Dit is de titel van een populair toneelstuk van de destijds in Frankrijk wonende Ierse schrijver Samuel Beckett (1906-1989). ‘En attendant Godot’ verscheen in 1952.

In de beroemde Beckettbiografie van Deirdre Blair wordt op een luchthartige manier de herkomst van de titel verduidelijkt. Beckett woonde na de oorlog in Parijs. Op de hoek van de straat stond een groep mensen. De auteur vroeg wat ze deden. Een van hen zei: ‘Nous attendons Godot.’ Godot was de oudste renner, die als laatste langs zou fietsen. Als hij tenminste nog meedeed. Hierdoor kwam Beckett op het idee voor het toneelstuk dat hem wereldberoemd zou maken.

De uitdrukking gaf nog aanleiding tot allerlei grappige persiflages en woordspelingen. Zo verscheen in 1997 een boek van Andy Martin: ‘Wachten op Bardot’ (over het Franse sexsymbool Brigitte Bardot).

Ammehoela.

“De overheid staat op de bres voor de zwakken? Ammehoela.”
Deze zin stond midden jaren tachtig van vorige eeuw in het Parool. Ammehoela is goed Hollands voor ‘daar geloof ik niks van’ of ‘daar komt niets van in’, ‘nooit van m’n leven’. Het is een standaard­kreet die twijfel, ongeloof of afwijzing uitdrukt.

Riemer Reinsma nam ‘ammehoela’ op in zijn woordenboek van Neologismen (1984) maar een nieuwvorming was het destijds niet. Deze aan de volksmond ontsproten uitdrukking was al in de jaren twintig courant, vnl. onder de schoolgaande Nederlandse jeugd.
In een Amsterdamse revue uit 1928, waarvan de dialoog vaak wordt toegeschreven aan revuekomiek Johan Buziau (geestelijke vader van het woord foetsie), komt de uitroep al voor. Tijdens een tweespraak zegt iemand: Ik ben de koning, waarop een ander antwoord: Ha, ha jij koning? Aan me hoela.
Dit gezegde ging dan gepaard met een handklap op de naar achteren gestoken bil. Repliek van de eerste spreker: Ja, ik ben koning Amenhoellah.
Ook Wim Sonneveld gebruikte de uitdrukking al in een liedje in 1947.

Maar wellicht heeft Jasperina de Jong de kreet bij het grote publiek bekend gemaakt, en wel met de titelrol in Cy Colemans musical ‘Sweet Charity’, een stuk dat in 1969 voor het eerst opgevoerd werd. In deze show ging de uitroep vergezeld van de traditionele bilklap, alsof de actrice wou zeggen: ‘an me reet’ (een volkse uitdrukking voor ‘dat nooit’).

Ammehoela is echter niet alleen een nette variant voor dit laatste, het is tevens een zinspeling op de voormalige koning van Afghanistan, Amanoellah, die in de jaren twintig van de twintigste eeuw menigmaal in het brandpunt van de belangstelling stond.
Nu is de overname van exotische namen en functies in ons taalgebruik zeker niet merkwaardig. Het woord snoeshaan bijvoorbeeld is volgens sommigen afgeleid van de Soesoehoenan, de vorst van Soerakarta op Java.

En zo stond koning Amanoellah aan de wieg van de volkse uitdrukking ‘ammehoela’, ook wel ‘an me hoela’.
Zo schreef W.F. Hermans in ‘Uit talloos veel miljoenen’ (1981): In Rusland is het heerlijk! In het Arbeidersparadijs! Me hoela!

Amanoellah (1892-1960) besteeg de troon in 1919 (nadat zijn vader werd vermoord). Na een inval in voormalig Brits-Indië herkreeg Afghanistan zijn soevereiniteit en bekwam de koning veel aanzien onder zijn volk. Hij stond echter voor een heidens karwei: het land hervormen naar westers model. In 1923 voerde hij een grondwet in. Tevens stimuleerde hij het onderwijs en schafte hij de veelwijverij af. Kinderhuwelijken werden verboden. De radicale hervormingen werden door de bevolking niet altijd in dank aanvaard, vooral niet toen iedereen in Kabul verplicht werd westerse kledij te dragen. Dat bleek een brug te ver want toen ging het volk twijfelen aan de trouw van de koning aan de islam. Na een opstand deed Amanoellah in 1928 troonsafstand ten gunste van zijn oudste broer, Inajatoellah. Toen bleek dat de nieuwe koning al binnen drie dagen was afgetreden, probeerde hij de troon opnieuw te bestijgen maar werd verslagen. Hij vestigde zich definitief in Europa (te Rome) waar hij regelmatig in society-kringen werd gesignaleerd. Dat maakte hem tot mikpunt van de boulevardpers. De bilklap die de uitroep ‘ammehoela’ op het podium begeleidde, moest wellicht duidelijk maken dat de koning van zijn volk een schop onder het achterste had gekregen. We hebben hier dus duidelijk te maken met een eponiem, een Oudgrieks woord dat ‘naamgevend’ betekent.

24 september 2006

Geitenneuker.

De in 2004 vermoordde cineast en columnist Theo Van Gogh had het in zijn columns vaak over ,,de vijfde colonne van de geitenneukers'' wanneer hij Arabieren of islamieten bedoelde.

Van Gogh gebruikte de term als een geintje. In de koran zou volgens sommigen vermeld worden dat de profeet zijn volgelingen aanraadde een onschuldig dier als de geit te gebruiken voor de bevrediging van hun lusten als er geen betere altenatieven voorhanden waren.

Vlak na de moord werd op internet een website gelanceerd met de provocerende naam ‘www.geitenneukers.nl’.
In de buitenlandse pers werd overigens zeer afwijzend gereageerd op het gebruik van dit racistisch scheldwoord. Het Franse ‘Le Canard Enchaîné’ zou wellicht als enige geen enkel probleem hebben met het invectief. De ‘New York Times’ durfde het woord echter niet citeren. De Duitsers ook niet, maar volgens de Engelse ‘Observer’ zou de uitspraak ontleend zijn aan Khomeiny.

Het bleek dat Khomeiny gezegd had dat als een man in grote seksuele nood verkeert en zijn vrouw ongesteld is, hij een kameel, een schaap of een geit mag nemen.
Een Nederlandse cabaretier maakte tijdens zijn eindejaarsconference van 2004 nog een grapje over de heisa rond dit woord. Volgens hem konden Marokkanen maar beter ‘kamelenbeffers’ i.p.v. ‘geitenneukers’ genoemd worden. Amerikanen noemen Arabieren overigens ‘camelfuckers’.

Begin 2004 beslistte de KNVB dat oerwoudgeluiden, schapengeblaat, gesis, vuurwerk­geluiden en het woord ‘geitenneuker’ niet meer in stadions ten gehore worden gebracht.

Van Gogh mag ‘geitenneuker’ dan wel populair hebben gemaakt, als scheldwoord bestond het al veel langer. In feite is dit invectief ondertussen meer dan een eeuw oud. Rond 1900 was het onder soldaten in Ned.-Indië een schimpnaam voor een Brits-Indiër.
In de jaren zestig / zeventig van vorige eeuw gebruikte de Amsterdamse penosefiguur Haring Arie het wel eens in zijn volksromans. Gerard Reve gebruikte ‘geitenneuker’ in ‘Bezorgde ouders’ (1988): ‘Dat hij zijn blonde, blanke jongenslijf aan dat bruine geiteneukertje wil geven...’
En in 1997 stond er in Nieuwe Revu: ‘6300 moslims, door onze jongens meestal ‘geiten­neukers’ genoemd...’ Als soldatenslang moet het woord zeer oud zijn.

In 1962 schreef een zekere prof. dr. J.A. Huisman een interessante taalkundige bijdrage in een boekje getiteld ‘Nette en onnette woorden’. Eén van de grofste onnette woorden die hij daarin noemt is ‘schapenneuker’, een voorganger of nakomer van ‘de geitenneuker’.
Deze term is nog steeds erg populair op jongerenwebsites. Mogelijk werd ‘schapenneuker’ ontleend aan het Engels.
In 2004 werd in een Schots café een poster opgemerkt met de tekst ‘Sheep shaggers are served here.’ Schotten hebben de nodige zelfspot en kunnen er dus mee lachen. Radicale moslims missen die zelfspot en reageren furieus wanneer ze met het invectief geconfronteerd worden.

In de jeugdtaal van de jaren tachtig van vorige eeuw slaat ‘geitenneuker’ ook op: een exentriek persoon, een rare snuiter; iemand aan wiens gedrag geen touw is vast te knopen.
Het woord heeft dus een lange weg afgelegd.

17 september 2006

Sambo.

Sambo is jongerentaal voor een zwarte jongen met dikke lippen, soms ook met een dikke bril.
De naam heeft een woelige geschiedenis achter de rug.
Onder Amerikaanse zwarten was Sambo een populaire naam tijdens de slavenperiode. Toen die werd afgeschaft, ging er een soort banvloek rusten op de term vanwege de onderdanige associaties.
In de VS, waar het woord al sinds het begin van de achttiende eeuw wordt gebruikt, is het veel negatiever en zelfs ronduit racistisch. Het gebruik van deze term onder blanken werd mogelijk beïnvloed door het Amerikaans-Spaanse ‘zambo’ (zwart persoon, mulat en ook voor een soort gele aap). Het wereldwijde gebruik als een personennnaam suggereert evenwel een Afrikaanse herkomst. Misschien stamt het zelfs af van een Hausawoord (Hausa is een Afrikaanse taal, gesproken door 24 miljoen mensen, en als tweede taal door nog eens 15 miljoen) voor ‘tweede zoon’ of ‘naam van de geest’. In populaire kinderboeken uit de negentiende en begin twintigste eeuw duikt de naam Sambo vaak op als hoofdfiguur.

Van Helen Bannerman verscheen in 1899 ‘The story of little black Sambo’ (in het Nederlands vertaald als: Sambo, het kleine zwarte jongetje). In sommige Amerikaanse scholen en bibliotheken is het nog steeds taboe, omdat het voor zwarten beledigend zou zijn.
Bij ons publiceerde Leonard Roggeveen in 1939: ‘Sambo, ga je mee?’ Tot ver in de jaren zestig van vorige eeuw werden Afrikanen hier nog getekend met een bot door hun neus. Deze negatieve beeldvorming is zelfs nu nog onderwerp van discussie (denken we maar aan onze zwarte piet).

10 september 2006

Het beest met de twee ruggen. Deel 2.

In de Angelsaksische literatuur is ‘the beast with the two backs’ of the two-humped beast’ sinds Shakespeare al lang een geliefde metafoor, o.a. terug te vinden bij auteurs zoals Mary Mc Carthy (The Group, 1963), Norman Mailer (An American Dream, 1965), M. Fraser (Flash­man Lady ,1977), Paul Theroux (The Great Railway Bazar, 1975).

De uitdrukking is ook in de late twintigste eeuw nog erg populair onder schrijvers en dichters.
In de jaren tachtig van vorige eeuw hoorde ik haar nog in een toneelstuk van Rudy Geldhof: ‘Twee Vrouwen’.
In de roman ‘Sisyfus verliefd’ van Ton Anbeek (1990) lezen we: “Het beest met de twee ruggen scharrelde op de dansvloer.”
Theo Kars gebruikte de uitdrukking in Aktueel van 18 juli 1991:
In Ibiza ontdekte ik jaren geleden een door hoge rotsen omringde stille, kleine baai met een spelonk die ik als reusacht­ige slaap-en badkamer kon gebruiken.Voor de rest heb ik het beest-met-de-twee-ruggen altijd binnenshuis op een bed gemaakt - oppervlakkig vrijen in portieken, auto's, telefoonhokjes en dergelijke buiten beschouwing gelaten.”

De recensent van het oerernstige HP/De Tijd stelde zich medio 1994 -in een recensie van Koos Prinsloo's Slachtplaats- de vraag: “Waarom zijn minnaars, tezamen 'een beest met twee ruggen' ,zoveel sterker de zelfvernietiging toegedaan als ze van hetzelfde geslacht zijn?”

Ondanks de talrijke vindplaatsen, werd deze seksuele metafoor nog door geen enkel Neder­lands woordenboek gehonoreerd! Zelfs de spreekwoordenboeken zwijgen er in alle talen over. Andere vergelijkingen met dieren in het seksuele taalgebruik (van achteren; op z'n hondjes; een onderdoortje maken enz.) vinden we eveneens met moeite terug in een gevestigd
woordenboek. Kan dit duiden op een nog niet helemaal verwerkt taboe?


30 augustus 2006

Het beest met de twee ruggen. Deel 1.

De uitdrukking is al meer dan een eeuw oud, wordt nog steeds gebruikt maar is desondanks niet terug te vinden in de laatste editie van Van Dale.
We hebben het over ‘het beest met de twee ruggen’, wellicht de meest beeldrijke omschrijving van ‘de oudste beweging ter wereld’ of de paringsdaad: een man en een vrouw die aangezicht tot aangezicht met elkaar de liefde bedrij­ven. In deze metafoor, die reeds dateert uit de middeleeuwen, wordt de nadruk gelegd op het dierlijke karakter van de coïtus. Met ‘het beest in de mens’ wordt de seksuele drift weergege­ven.
De positie waarbij de man op de vrouw ligt, wordt tegenwoordig ook wel omschreven als ‘de
bekeerstand, de missionarishouding, de Adam en Eva-houding, de zendelingenstand’ of gewoon ‘de pastoorshouding’.
Het zijn allemaal weinig subtiele verwijzingen naar het wijd verbreide geloof dat missionarissen destijds de gewoonte hadden om op deze wijze seks te bedrijven met de inheemse volkeren.

In De Morgen van 6 mei 1988 lazen we:
In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, beoefent de prostituée niet altijd de missionarishouding. Het merendeel van de klanten wordt bediend met het handje.”

Toch zijn bovengenoemde termen vrij recent. Ze dateren alle uit de late twintigste eeuw.
‘Het beest met de twee ruggen’
heeft al een langere geschiedenis achter de rug. De oudste bron uit het Nederlandse taalgebied waar we deze uitdrukking in terugvinden is vermoedelijk de achttien­de eeuwse klucht ‘Den Vrolyken Tuchtheer’ van Weyerman.

Maar zoals gezegd is deze zegswijze al veel ouder! Velen schrijven haar toe aan Shakespeare die in Othello al in de eerste scène van het eerste bedrijf Iago tegen Brabantia, de vader van Desdemona, laat zeggen: “Iemand die U komt vertellen, heer, dat uw dochter en de Moor op ditzelfde ogenblik het beest met de twee ruggen aan het maken zijn.” (Vertaling Willy Cour­teaux, 1979).
Toch is niet Shakespeare de geestelijke vader van deze uitdrukking. Ruim een eeuw vroeger gebruikte de Franse schrijver, monnik en dokter, François Rabelais (1494-1553) ze al in zijn meesterwerk Gargantua en Pantagruel. In het derde hoofdstuk lezen we: “Dikwijls speelden ze samen het beest met de twee ruggen, vrolijk elkanders spek wrijvend en met zo goed effect, dat zij zwanger werd van een schone zoon, waarvan ze de elfde maand beviel.” (Vertaling J.A.Sandfort, Arbeiderspers, 1956-1980)

Heeft Rabelais deze uitdrukking bedacht? Helemaal zeker zijn we hier niet van. Zijn hiervoor genoemde werk, waarin hij een karikaturaal beeld ophangt van zijn tijd en scherpe kritiek levert op clerus en overheid, dateert uit de vroege zestiende eeuw (ca.1532).

In een nog ouder Frans stuk (15de eeuw) van het Ancien Théatre français, werd ‘la bête à deux dos’ al opgetekend: “Si Dieu, fais croistre les bledz afin que ne soyons trouvés en faisant la bête à deux dos.”
Rabelais mag dan misschien niet de uitvinder van deze beeldrijke uitdrukking zijn, populair gemaakt heeft hij ze alleszins! De zegswijze wordt verscheidene eeuwen en ook nu nog door allerlei bekende en minder bekende Franse en Britse schrijvers gebruikt.
De Franse auteur, Piere de Bardeille, seigneur de Brantôme (1540-1614) had het al over ‘la bête à deux dos’.
We vinden de uitdrukking zelfs in een Italiaans werk uit de zestiende eeuw, Gardino di Recreazione van Florio: ‘far la bestia a due dossi.’

De negentiende eeuwse Franse auteur, Jules Renard, gebruikte ze in zijn Journal van 18 maart 1890. In ‘Poèmes et Chansons’ van Brassens vinden we ze eveneens terug.



20 augustus 2006

De Atoomstijl. Deel 2.

In feite werd deze stijl al beoefend vóór 1958.
Levende legende André Franquin maakte er al gebruik van in de jaren ’50 toen hij met ‘Ton en Tinneke’ hoge toppen scheerde. Ook de eerste afleveringen van zijn misschien grootste succes 'Guus Flater' droegen de kenmerken van de Atoomstijl: soepel karikaturaal, speels en vol beweging, futuristisch.
Andere bekende beoefenaars van deze stijl (reeds in 1955) waren striptekenaars Will (of Willy Maltaite) en Jidéhim (schuilnaam in Jean de Mesmaeker). Zij probeerden zich in hun werk los te maken van de algemeen volgde standaardpatronen.

Vroegste vindplaats van de Atoomstijl in het werk van striptekenaars is zonder twijfel ‘De Avonturen van Robbedoes’ van de Belg Jijé (pseudoniem van Joseph Gillain) uit 1946.
Vooral het science-fictiongedeelte van deze strip kan beschouwd worden als pure Atoomstijl. Jammer genoeg paste Jijé deze stijl later slechts occasioneel toe.
De Atoomstijl die aan het eind van de twintigste eeuw aan een revival toe was, betekent enerzijds het in de schijnwerpers plaatsen van de bejubelde jaren ‘50, anderzijds is het ook een teruggrijpen naar een vroegere periode zoals de industriële revolutie.
De Nederlandse tekenaar Joost Swarte bracht de Atoomstijl terug in de belangstelling, samen met de Spanjaard Daniël Torres (niet toevallig iemand die 2 jaar architectuur gestudeerd heeft en zich daarna gespecialiseerd heeft in beeldhouwkunst en grafiek), de Belg Ever Meulen (pseudoniem van Eddy Vermeulen; huistekenaar van Humo) en de Fransman Yves Chaland (inmiddels overleden).

In een tijd waarin het stripverhaal tot kunstvorm verheven wordt proberen deze kunstenaars een universum te creëren dat bol staat van retro en overdreven modernisme.
Ze willen inhaken op de hoop van een vroegere generatie die dacht de wereld opnieuw te gaan uitvinden.
De Atoomstijl is tot geen enkel Nederlands woordenboek doorgedrongen.
Misschien verandert dit met de hernieuwde belangstelling voor een vervlogen periode waarvan men enkel de positieve zaken heeft overgehouden.



17 augustus 2006

De Atoomstijl. Deel 1.


Ik ben de gelukkige bezitter van een boekje dat door stripfanaten beschouwd wordt als een collector's item.
Het ding heet 'Expo 58 en de Atoomstijl', werd samengesteld door een zekere Didier Pasamonik met de hulp van de al even bekende grootheden René Paquot en Evan, en in kreupel Nederlands vertaald door Philippe Hoffman.
Uitgeverij Albino bracht het werkje in 1983 op de markt, 25 jaar nadat te Brussel de Expo of wereldtentoonstelling van start ging.

De Atoomstijl is dan ook een typisch Belgische stij1-oorspronkeijk van toepassing op de architectuur- die zijn naam ontleent aan het Atomium (waarvan de architect André Polak was).
Het gaat om de specifieke vormgeving die gebouwen, meubels en gebruiksvoorwerpen omstreeks 1958 meekregen en die eind twintigste eeuw een revival kende, vnl.in de stripwereld.
De Atoomstij1- ook wel Expostijl genoemd- is niet gebonden aan regels maar springt wel zeer speels om met design en bizarre ontwerpen volgens futuristisch model.
Ontstaan uit de art decostijl van de jaren ‘20-‘30 en na de tweede wereldoorlog vercommercialiseerd tot jaren ‘50-stijl, wordt de Atoomstijl gekenmerkt door: opvallend kleurgebruik, ver doorgedreven stillering tot in het ridicule, motieven uit andere (lees: koloniale) werelden (bv.zebralijnen, totems, boomerangs).
Gerard Reve
gebruikte het woord in zijn ‘Brieven aan geschoolde arbeiders’ uit 1985:
"Men leeft hier nog in het begin van de nieuwe zakelijkheid, en in de atoomstijl (1945-1955) van meubelen, die in Nederland allang zijn weggegooid."

Na de tweede wereldoorlog maakten wetenschap en techniek een ontzettende vooruitgang. Het geloof in de mogelijkheden van de mens was groot. Men ontdekte immers de atomen, de amoeben, de celstructuur, nieuwe miroscopische vormen.
De Wereldtentoonstelling werd door de ontwerpers dan ook gezien als een experimenteerbasis.
Het thema van Expo ‘58 was: "Een balans van het tijdperk van de atoom; het leven in een menselijker wereld waar de techniek in dienst word gesteld van de vooruitgang."
Het Atomium was het symbool van een stap in de richting van de kernwetenschappen. Er werd dan ook- vooral in de Belgische paviljoenen- volop geëxperimenteerd met nieuwe materialen (tijdens de oorlog ontdekt) zoals plastic, formica, aluminium, multiplex, polyester.
De architecten en vormgevende kunstenaars mochten in alle vrijheid werken. De nieuwe materialen werden door hen kriskras door elkaar gebruikt waardoor grillige architecturale vormen ontstonden.
Uit de modernistische stijl die aldus ontstond sprak een 'arrogant optimisme en een naïef futurisme.'
Op het einde van de jaren ‘50 kende de Atoomstijl een groot succes bij striptekenaars. Bekende voorbeelden zijn de albums van Dupuis, de Belgische tekenaar Ever Meulen en de Spaanse tekenaar Mariscal.



08 augustus 2006

Chinese vrijwilliger.

Nederlanders kennen geen ‘Chinese vrijwilliger’. In de digitale persdatabanken komt deze uitdrukking niet voor.

Gelukkig staat ze wel in Van Dale met het label ‘Belgisch-Nederlands, schertsend’ en de omschrijving ‘iem. die gedwongen wordt om een vervelende of moeilijke taak uit te voeren’. Daar kunnen we nog volgende synoniemen aan toevoegen: slachtoffer; pineut.
Wanneer de uitdrukking voor het eerst gebruikt werd en waar ze precies vandaan komt, heb ik niet kunnen achterhalen.
Mogelijk gaat het om een verwijzing naar de Koreaanse oorlog toen Mao-Tse-Toeng honderdduizenden ‘Chinese vrijwilligers’ verplichtte om te strijden tegen de Amerikanen en de Zuid-Koreanen.

Volgend citaat komt uit het onderwijstijdschrift Klasse (oktober 1994) maar de uitdrukking moet beslist veel ouder zijn:
“In de meeste gevallen is de leerlingenraad samengesteld uit klasafgevaardigden. Maar de manier waarop iemand klasverantwoordelijke wordt is niet altijd goed. De meest open en correcte formule is dat een aantal vrijwilligers zich kandidaat stellen, dat ze hun ambitie kunnen verdedigen en vervolgens op goede gronden anoniem verkozen worden. Dit proces verloopt echter niet altijd optimaal. De verkiezing gebeurt vaak op een moment dat de leerlingen elkaar nog niet zo goed kennen. Of de minder vlotte leerlingen maken geen kans. Of niemand voelt zich aangetrokken tot de klusjes die bij de taak horen en dan verkiest men een slachtoffer of al grappend, een Chinese vrijwilliger...”

01 augustus 2006

Hapscheerders.

“En paerden steelen, moet de hapscheer klimmen leeren” lezen we bij Pieter Langendijk (Het wederzyds huwelyksbedrog. 1714).

Hapschaar, hapscheer of hapscheerder is een verouderd scheldwoord met meerdere betekenissen: durfal; waaghals; inhalige vent; vrek; rare vent; vreemde snuiter.
Oorspronkelijk werd er ‘een gerechtsdienaar, een diender of dievenvanger’ mee bedoeld. In die betekenis vinden we het woord al terug in het werk van Erasmus.
Theun de Vries gebruikte het in één van zijn historische romans zelfs in de betekenis van ‘zwervende soldaat’.

We hebben hier te maken met verhaspeld Frans: ‘happe-chair’. Wellicht is het een samensmelting van het werkwoord ‘happer’ (vangen, snappen) en het zelfstandig naamwoord ‘chair’ (vlees).

De ‘hapschaar, hapscheer’ of ‘hapscheerder’ stond blijkbaar erg laag op de maatschappelijke ladder. Hierdoor kreeg het woord allerlei negatieve connotaties. De betekenis van ‘vrek’ werd o.a. in Maaseik opgetekend. In Deventer werd het gebruikt voor een vrouw met een grote mond en in de Zaanstreek verstond men er een ‘rare snuiter’ onder.

Tegenwoordig wordt het woord nog enkel gewestelijk gebruikt. Uit de mond van kapitein Haddock (uit Kuifje) tekenden we wel meer oude scheldwoorden op.
“Kom hier, als je durft, hapschaar en ik verander je in een beddenkleedje!”
Een verbastering van hapschaar is hapsnurker.

De missionarishouding. Deel 2

Tegenwoordig staat de 'missionaris-of bekeerstand' voor recht voor z'n raapse seks met de implicatie dat het vervelend en oninteressant is. In het Engelse taalgebruik wordt het woord nu ook al gebruikt m.b.t. andere zaken dan seks, waarmee men wil suggereren dat deze dingen conventioneel en banaal zijn.
Natuurlijk zijn er talrijke andere posities dan het klassieke 'recht op en neer’.

Tamelijk recent (althans de benaming) is de zgn.'Montana-houding': de man ligt over de vrouw zodat de lichamen van beide partners een kruis vormen. De herkomst van het woord blijft nog in nevelen gehuld maar mogelijk heeft het iets te maken met het feit dat de 'Montanaboom' een soort zadel is. Een andere geopperde verklaring is dat Montana één der belangrijkste Amerikaanse wintersportstaten is waardoor er misschien gerefereerd wordt naar het kruisen van ski’s.

Bij de ‘diligence (van Lyon)’, ook wel de ‘ruiterstand’ geheten, zitten de partners in elkaar gestrengeld zodat ze, met de heupen als wip, op en neer kunnen wippen. Deze van oorsprong Franse term dateert uit het midden van de negentiende eeuw en is o.a. terug te vinden in het werk van de dichter P. Verlaine.

Het ‘paard van Hector' of gewoon 'Hector' hebben wij ontleend aan de Grieken. Bij deze seksuele variant zit de vrouw gewoon op de man.

Onder ‘Griekse beginselen' verstaan wij gewoon homofilie maar in het Amerikaanse Engels slaat ‘the Greek way' (of 'style') meer algemeen op anale seks of het copuleren op de wijze van de viervoeters: de vrouw steunt op haar handen terwijl de man achter haar staat. De oude Grieken worden doorgaans geassocieerd met sodomie, vandaar deze benaming.

Overigens worden ook andere nationaliteiten in verband gebracht met deze vorm van geslachtsgemeenschap. Het Amerikaanse slang heeft het bijvoorbeeld over ‘the Irish way' (wellicht omdat de Ieren deze houding zien als een manier van geboortecontrole) en over 'the Italian way (of 'fashion)'. Deze laatste uitdrukking wordt in feite aan de Fransen toegeschreven. De Italiaanse beeldhouwer Benvenuto Cellini refereert er naar in zijn autobiografie (1558-71). Hij werd er door zijn model van beschuldigd haar misbruikt te hebben op de ‘Italiaanse wijze' maar voor de rechter ontkende hij deze beschuldiging en stelde hij dat het om een 'Franse gewoonte' ging vermits zijn model er alles van afwist terwijl hij totaal onwetend was. We zullen de goede man maar geloven.

Nederlanders zijn even pervers. Ze doen het op z'n hondjes (‘doggie fashion’ in het Engels; ‘baiser en levrette’ bij de Fransen) of maken 'achterommetjes'.
De Nederlandse auteur Ben Borgart in ‘Buiten schot’ (1975): "Nette heren, die zich in het huiselijk bed geen 'achterommetjes' veroorloven of iets wat niet recht-op-en-neer is..."

Een ietwat ingewikkelder manoeuvre is het 'standje 69' of het 'negenenzestigen’ (van Frans: soixante-neuf, daterend uit het midden van de negentiende eeuw. Er zijn geen oudere benamingen gekend voor deze houding). Beide partners nemen dezelfde positie in als de cijfers van het getal 69, zodat tegelijkertijd cunnilingus en/of fellatio kan beoefend worden. Men heeft overigens ooit zonder veel succes de term ‘negenennegentigen' willen lanceren.
In het prostitutiejargon spreekt men naast het 'standje 69' ook over de 'Franse toer’: een verwijzing naar de veronderstelde bekwaamheid van de Fransen op dit gebied. Een 'French kiss' is niet alleen een gepassioneerde tongkus maar tevens de omschrijving van de oraal-genitale activiteit.

Toch wordt het Franse standje door velen gezien als de meest democratische manier van liefde bedrijven.
Yvonne Kroonenberg in ‘Alles went behalve een vent’ (1989): “Soixante-neuf is uitgevonden om de democratie in de relatie te bevorderen: je krijgt evenveel als je geeft."
In een lesbische verhouding heeft men het niet zo gauw over het 'standje 69’ dan wel over de 'vurige hoepel', een tot de verbeelding sprekende omschrijving van de liefdesdaad.

Grappig bedoeld is het gezegde: 'Op z'n Frans lukt perfect. Alleen met de taal wil het nog niet zo vlotten.'



29 juli 2006

De missionarishouding. Deel I

Onderzoek heeft uitgewezen dat vrouwen tijdens de coïtus meer dan mannen voorstander zijn van de traditionele missionarishouding. Daar tegenover staat dat vrouwen makkelijker een orgasme bereiken als ze bovenste partij zijn.

Voor alle duidelijkheid: de missionarishouding is de meest voorkomende seksuele positie waarbij de man bovenop ligt en beide partners met de gezichten naar elkaar liggen. Het is de 'figura veneris prima', letterlijk: het eerste liefdesstandje, daarom ook wel de 'Adam en Eva-houding' genoemd.

Hoe ongewoon het ook lijkt: missionarissen in ontwikkelingslanden zouden de bevolking duidelijk gemaakt hebben dat deze door de Kerk geoorloofde methode niet als zondig werd beschouwd. Naar verluid stamt de benaming van de Polynesische volkeren die in de ogen van de westerse zendelingen maar wat aanrommelden. Op seksueel gebied zouden de inboorlingen totaal geen gêne gehad hebben. Ze hadden te veel manieren om de 'oudste beweging ter wereld' te maken. Hun misprijzen voor het fantasieloze westerse seksleven spreekt dan ook uit de benaming die ze gaven aan onze copulatiepositie.

Het lijkt wel een prostitutieterm te zijn maar eigenlijk hebben we te maken met een internationaal begrip dat al door veel beroemde schrijvers, o.a. Paul Theroux, wereldkundig werd gemaakt.
In het Engels komt de term (missionary position) sedert de tweede helft van de twintigste eeuw voor. Amerikaanse studenten kennen zelfs de slangterm 'missionary man’: een saaie seksuele partner.

Fransen gebruiken naast de benaming 'position du missionaire' (wel opgenomen in de Petit Robert maar eigenaardig genoeg niet in het Franse standaardwerk over het erotisch taalgebruik: ‘le Dictionnaire érotique’ van Pierre Guiraud) ook de omschrijving 'baiser a la bourgeoise'. De Spaanstalige landen kennen eveneens 'el Misionero'.

Het geloof dat missionarissen de gewoonte hadden om met de inheemse volkeren seks te bedrijven in de missionaris-of zendelingenstand is wijd verbreid maar gebaseerd op een misverstand. Misschien is het wel voorgekomen maar dan heette het ongetwijfeld anders.

The Daily Telegraph rapporteerde ooit dat in sommige Amerikaanse staten een vrouw een echtscheiding kan bekomen indien haar echtgenoot met haar de liefde bedrijft op een andere wijze dan de 'bekeerstand'.

In het minder puriteinse Europa zijn feministen vaak minder te spreken over deze door de moraalridders gepredikte coïtushouding. Germaine Greer sprak er zelfs vernietigende woorden over tijdens een interview met Humo op 24/1/1985 (de eerste keer dat ik de term 'missionarishouding'-weliswaar in vertaling - tegenkwam):

"Die mentaliteit van 'Wij zijn hier, bespring ons maar, neuk ons naar hartelust, daar moet komaf mee worden gemaakt. Dat is nergens goed voor, net zo min als altijd die missionarishouding: de vrouw onder, de man boven, penis in de vagina en dan leegspuiten."

25 juli 2006

Indië verloren, rampspoed geboren.

De titel hierboven is een nostalgische kreet die verwijst naar de tijd van de kolonies, toen Nederlands-Indië nog bestond.

De negatieve connotatie blijkt vooral uit wat soms volgt, nl. ‘wat wij in tientallen jaren hebben opgebouwd, breken zij in luttele jaren af.’ Noch het WNT, noch Van Dale maakt melding van deze gevleugelde uitdrukking.

Oudste bewijsplaats tot nu toe is de gelijknamige titel van een brochure (24 pagina’s) uit 1914 van Jhr. Dr. C.G.S. Sandberg. De tekst begint aldus: 'Het is zeker een verblijdend verschijnsel, dat allerwege in ons land eindelijk de belang­stelling levendig wordt voor onze schitterende Overzeesche gewesten. Het is verblijdend, daar het voor ons als Volk noodzakelijk werd, en ik hoop in het navolgende te zullen kunnen bewijzen, dat mijn spreuk: ,,Indië verloren, Rampspoed geboren'' niet is een aardig, pakkend rijmpje, maar nuchtere, heel nuchtere, eenvoudige waarheid.' Voorlopig kunnen we stellen dat Sandberg de spreuk heeft bedacht, al kan hij hem natuurlijk al eerder gebruikt hebben.

In 1924 stond volgende advertentie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant:

“Indië verloren, rampspoed geboren! De Arbeidsbeurs voor den oud-Ind. Militair, Oude Varkensmarkt 41, te Nijmegen, vraagt arbeid voor de ex-bewakers van Indië.”

21 juli 2006

Het glazen plafond.

In 1993 benoemde VB Magazine, het zakenblad voor vrouwen, koningin Beatrix tot president-directeur van de bv Nederland, onder het motto: "Zij is de enige werkende vrouw in Nederland die nooit een Glazen Plafond heeft moeten doorbreken. Dat ze ooit de top zou bereiken stond immers al bij haar geboorte vast.'

Het glazen plafond is de onzichtbare, psychologische barrière die vrouwen ondervinden om de top van een bedrijf te bereiken. Vanuit feministisch standpunt: het vermeend mannelijk complot tegen vrouwen die hogerop willen komen.
Het begrip werd ontleend aan het Engels. Over de uitdrukking 'glass ceiling' is al heel wat geschreven in Engelse naslagwerken. Voorlopig is een vermelding in Adweek van 1984 de oudste schriftelijke vindplaats (zie hiervoor de uitstekende Oxford English Dictionary Additions Series. Volume 3).

Volgens Godfrey Howard (The Good English Guide. 1993) zou de term in de jaren tachtig van vorige eeuw gelanceerd geweest zijn door 'American management consultants'. Tegen het eind van de jaren tachtig zou de uitdrukking volgens hem ook in Groot-Brittanië in zwang zijn geraakt .
Anne H. Soukhanov trekt maar liefst anderhalve pagina uit om 'glass ceiling' nader te omschrijven in haar prachtige boek 'Word Watch. The Stories behind the words of our lives' (1993). Zij stelt o.a. dat de uitdrukking in het midden van de jaren tachtig geïntroduceerd werd door de Wall Street Journal. De interesse werd verder aangewakkerd begin jaren negentig 'because of the Labor Department's intended 'glass ceiling reviews' of US corporations.'
De auteur citeert verder nog een boek uit 1987: 'Breaking the Glass Ceiling: Can women reach the top of
America's Largest Corporations'.

Ook William Safire (Safire's New Political Dictionary. 1993) stelt dat de uitdrukking midden jaren tachtig ontstond. Hij citeert nog een ander boek uit 1988: 'The glass ceiling. The broken ladder. The great wall'. De auteur noemt geen geestelijke vader maar meent dat de uitdrukking gevormd werd naar het voorbeeld van 'price ceiling'. Hij noemt ook nog een hardere variant van de 'breekbare' glass ceiling, nl. the 'Lucite ceiling'.

18 juli 2006

De nieuwe dildo's.

Dildo kennen wij vooral in de betekenis van 'kunstpenis van plastic of rubber'.
Sedert eind jaren tachtig van vorige eeuw wordt het ook als scheldwoord gebruikt voor een vreemd of waardeloos persoon. Denken we hierbij aan de overdrachtelijke betekenis van lul.
Dildo als invectief wordt voor het eerst vermeld in het Nationaal Scheldwoordenboek van Kristiaan Laps uit 1984. Ongetwijfeld hebben wij het overgenomen van Engelssprekenden die het gebruiken in de zin van sufferd of lul. In Amerika kent men het ook nog in de betekenis van een verwijfde man.

Uit historische documenten blijkt dat dildo’s (de seksattributen dus) al gebruikt werden in het oude Griekenland. Ze werden gemaakt van hout of opgevuld leder.
Volgens de ‘Dictionary of Early English’ van Joseph T. Shipley (1968) was dildo een nonsenswoord dat in talrijke gewaagde liedjes uit de zestiende en zeventiende eeuw voorkwam. De vroegste vermelding in het Engels is een schunnig gedicht van Thomas Nashe (1567-1601): ‘The choice of Valentines’.
Daarin weigert het lid van de dichter op een cruciaal moment dienst. Hij wijst het aldus terecht: ‘My little dildo shall supply your kind. A youth is as light as leaves in the wind; He bendeth not, not foldeth any deal, But stands as stiff as he were made of steel.’ Ook William Shakespeare gebruikte het woord in ‘The Winter’s Tale’ (1610-11).

Over de etymologie is al heel wat te doen geweest. Volgens sommigen is het de Spaanse naam van een cactus, nl. de ‘Cephalocereus Royeni’ (die wel een fallusvorm heeft maar toch eerder prikkend dan prikkelend te noemen is). Anderen zien er het Italiaanse woord ‘diletto’ (genot) in terug. Ook het Arabisch zou een bron kunnen zijn, nl. ‘doeldoel’ (dat wat bungelt). Het Engels zelf valt ook niet uit te sluiten. ‘Dally’ (speeltuig) is dan een mogelijkheid, maar ook een samentrekking van de woorden ‘this will do’ of het slangwerkwoord ‘to diddle’, dat zowel ‘foppen’, ‘neuken’ als ‘masturberen’ en ‘op een prettige manier de tijd passeren’ kan betekenen.
De laatste omschrijving vinden we overigens terug in de Italiaanse benaming voor een dildo, nl. ‘passatiempo’. Er kan ook verwantschap zijn met het Australische woord ‘dillypot’ (rijmslang voor ‘twat’, kut). Een andere herkomstverklaring, die nog nergens gesuggereerd werd, is een mogelijke verwantschap met het Franse argotwoord ‘dille’ (penis), in de zestiende eeuw reeds door Rabelais gebruikt! Vraag is natuurlijk waarom de Fransen zelf dan het woord ‘dildo’ niet gebruiken. Zij verkiezen immers andere benamingen, zoals: ‘bientateur’ (goeddoener); ‘consolateur’ (trooster) en ‘godemiché’ (van het Latijnse ‘gaude mihi’: doe mij een genoegen). In Duitsland heeft men het over een ‘Phallus Phantom’.

Als scheldwoord is dildo nu ook in ons taalgebied in opkomst. Eind jaren negentig stond er in NRC Handelsblad:
'Jammer dat die dildo's uit Rotterdam zich ook op deze pagina gaan uitleven.’

10 juli 2006

Uit de periferie van de Engelse taal.


Lezers van mijn weblog kennen ondertussen ongetwijfeld Grant Barrett. Niet alleen is hij de oprichter en bewerker van de populaire website ‘Double-Tongued Word Wrester’ (zie de link onderaan rechts), ook publiceerde hij ‘Hatchet Jobs and Hardball. The Oxford Dictionary of American Political Slang’ en is hij samensteller van de Historical Dictionary of American Slang voor Oxford University Press (de twee eerste delen van dit monumentale werk verschenen bij Random House).

Nu heeft hij een nieuw, prachtig woordenboek op de markt gegooid: ‘The Official Dictionary of Unofficial English.’
Hierin werden 750 splinternieuwe woorden opgenomen uit de periferie van de Engelse taal. Het gaat vooral om slang, jargon en dialect maar ook om neologismen die door de gerenommeerde woordenboeken al jaren verwaarloosd worden. Woorden en uitdrukkingen die modieus zijn op straat, zelfs nieuw in cyberspace (een belangrijke bron van Barrett is Usenet) maar die bijvoorbeeld Webster en consorten nog niet gehaald hebben.

Als je de enorme lijst citaten bij ieder lemma ziet dan vraag je je af hoe dit mogelijk is.
Eén woord springt er een beetje uit omdat het wel overbekend is (en beslist in de meeste woordenboeken staat) : ‘the big apple’, de bijnaam van New York. Reden voor opname is de verrassend nieuwe etymologische informatie.
Een paar woorden komen ook ons bekend voor: rollator bijvoorbeeld (dat in de VS al in 1996 werd opgetekend), sag wagon (de bezemwagen in wielerjargon, met een vindplaats uit o.a. 1967), lesbian bed death (bij ons bekend als ‘beddedood’), tiger kidnapping (de laatste tijd eveneens populair in de lage landen ). We vinden zelfs een paar Duitse termen: Leitkultur;
(diep inademen:) Verwaltungsvereinfachungsmassnahmen en Zeitgeber.

Bij sommige woorden denk je met ééndagsvliegen te doen te hebben, maar nogmaals: de vele citaten uit diverse bronnen en jaren spreken dit tegen.
De oorlog in Irak en de strijd tegen het terrorisme zijn blijkbaar een goudmijn voor lexicografen. Een kleine greep: Eye-wreck (bijnaam van Irak); fobbit; haji; hawasim; Mortarville (Irak); Muzzie (moslim); Rummy’s Dummies (de Amerikaanse soldaten onder het leiderschap van Donald Rumsfeld); the sandbox (het Midden-Oosten); Trashcanistan (Afghanistan) enz.

Ik kan hier de loftrompet blijven steken maar jammer genoeg ontbreken tijd en plaats.
Iedere taalliefhebber zou dit buitengewoon informatieve boek moeten kopen. Het is overigens niet duur: ongeveer 15 euro voor 412 pagina’s met de nieuwste Engelse aanwinsten.

‘Nieuwste’ is hier in de meeste gevallen met een korrel zout te nemen. Sommige woorden kregen zelfs vindplaatsen uit het begin van de twintigste eeuw. Desondanks werden ze in de meeste woordenboeken niet opgenomen. Nog maar eens een bewijs dat woordenboeken nooit compleet kunnen zijn.
Grant Barrett: The Official Dictionary of Unofficial English.
ISBN 0-07-145804-2
McGraw Hill

08 juli 2006

Gladde glibbers.

Een gewiekst en ook wel akelig persoon noemen we in de volksmond wel eens een ‘gladde glibber’. Velen denken wellicht meteen aan dat bekende stripverhaal van Suske en Wiske: ‘De gladde glipper’.
En in de Donald Duckverhalen is er sprake van een geldschieter Gladde Glibber (de oorspronkelijke Engelse naam is Soapy Slick).

Glibber is echter ook een scheldwoord voor een Leidenaar. De juiste naam is eigenlijk ‘glipper’, afgeleid van het werkwoord ‘glippen’ (wegvluchten). Aanvankelijk betekende het dan ook vluchteling. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd het gebruikt als schimpnaam voor burgers en edelen die uit de steden waren gevlucht en met de vijand (de Spanjaarden) meeheulden. Een glipper of glibber was dus een collaborateur. Het woord gaat terug op de tijd van het beleg van Leiden in 1574 toen foute Leidenaars overliepen naar de Spanjaarden. Te Leiden zelf worden de twee uitspraken gebruikt: met dubbele p of met dubbele b. Tegenwoordig is het meer een geuzennaam dan een scheldwoord geworden.

Gladde glibbers zitten tegenwoordig veel in de televisiewereld. Kees van Kooten zei bij de uitreiking van de Gouden Ganzenveer in 2004 het volgende:
“De eerste televisiefiguur die allebei mijn ouders tegen de haren in streek was de Belg Jan Theys. Dit was een showmaster die bij de presentatie van het songfestival in vijf talen ‘dames en heren goedenavond’ kon zeggen en daarom eerbiedig werd betiteld als ‘de sprekende vierkleurenballpoint’, maar mijn moeder noemde Jan Theys ‘een gladde glibber.’”

29 juni 2006

De grote Lus.

‘Het circus van Jacques Goddet’ werd de Tour de France ooit genoemd. Een verwijzing naar de Fransman Jaques Goddet die samen met Félix Lévitan jarenlang het bewind voerde in de Tour. Fransen spreken sinds 1903 ook over de ‘Grande Boucle’, de Grote Lus (een term die ook onder Nederlandse vakjournalisten werd gebruikt). Zo stond er in 1989 in Wieler Revue:
“Nooit eerder in de toch turbulente geschiedenis van de Grote Lus slaagde een favoriet van het kaliber Pedro Delgado erin om met zo’n geweldige zeperd aan de klus te beginnen.’

Wat telt in de Tour zijn ‘het hoofd en de benen’, de combinatie van intelligentie en spierkracht. In 1895 publiceerde de oprichter van de Tour, de Fransman Henri Desgrange, zijn beroemde boek ‘La tête et les jambes’. In de jaren zestig van vorige eeuw liep er op de Franse tv een quiz gecombineerd met een heuse wedstrijd onder dezelfde titel. Hierin namen scholieren het op tegen sportlui.

Zoals elk jaar nemen de ‘grote kanonnen’ het tegen elkaar op. Deze vedetten worden in de Franse pers ‘les ténors de l’équipe’ genoemd. In hun kielzog volgt de ‘karavaan’(renners, motoren, auto’s en niet te vergeten de bezemwagen).
Laat het duidelijk zijn: dit is geen kermiskoers. In de Tour heb je tempobeulen, adelaars en berggeiten, maar ook de mindere goden. Zij moeten de vele ‘bulten’ en ‘cols’ trotseren, de zwaarste wellicht ‘de beul (reus) van de provence’ (bijnaam van de Mont Ventoux, een 21,5 km lange col in de Provence. Voor het eerst beklommen in de Tour van 1951). Fransen noemen hem ‘le col des tempêtes.’ Wij hebben het ook wel over ‘de kale berg’.

In 2006 doet de Tour de France de Mont Ventoux, na drie jaar afwezigheid, opnieuw aan. In 2002 bleek Virenque de sterkste. Twee jaar daarvoor was het Pantini die bovenop de Ventoux won. Wie zal deze keer ‘bergkoning’ worden? Ongetwijfeld zijn er nog andere ‘scherprechters’ en ‘kuitenbijters’ op het parcours.

12 juni 2006

Renners en hun truien.

De ‘helden van het smalle zadel’ dokkeren weer over de kasseien. Tijd dus om eens even stil te staan bij hun kleding, m.n. de truien.

Sedert 1919 draagt de leider in het algemeen klassement van de Tour de France een gele trui.
Eugène Christophe, een Franse renner, was de eerste die deze trui mocht aantrekken. Volgens de annalen raakte hij hem na vier dagen weer kwijt door materiaalpech.
Het toenmalige blad L’auto (het huidige L’Equipe) verscheen op geel papier. Vandaar dat geel ook de hoofdkleur werd voor de Tour. Hierdoor werd het voor de pers makkelijker om de leider te herkennen.
De gele trui noemt men in het Franse argot ‘banane’ of ‘paletot’. De drager ervan wordt in Vlaamse sportkringen vaak schertsend de ‘kanariepiet’ genoemd.

De roze trui of de leiderstrui in de Ronde van Italië komt dan weer van de kleur waarop La Gazetta dello Sport wordt gedrukt.
De groene trui is het tricot dat wordt gedragen door de leider in het puntenklassement van de Tour. De eerste die hem veroverde was de Zwitserse renner Fritz Schaer in 1953.
De beste sprinter in de Tour komt in aanmerking voor de blauwe trui.

De bolletjestrui is dan weer weggelegd voor de beste klimmer in de Tour. Vlamingen hebben het liever over de ‘ballentrui’ of de ‘mazelentrui’.
Grote klimmers uit de wielerhistorie zijn Fausto Coppi en Charly Gaul. Steven Rooks was de eerste Nederlander die het bergklassement (1969, 1970) won.

En de regenboogtrui tenslotte is slechts weggelegd voor de wereldkampioenen.
Wie een andere renner ‘uit zijn trui rijdt’ zorgt er voor dat deze rivaal zijn leiderspositie kwijt raakt.

Binnenkort meer over de verschillende benamingen van de Tour de France.

07 juni 2006

Pepermuntvreters.

Volgens Van Dale is ‘pepermuntvreter’ een vulgair scheldwoord voor een gereformeerde.

Als je gereformeerd was dan at je zondags een King-pepermunt op. Dat muntje was bij gereformeerden verantwoord en populair 'omdat het precies een preek lang duurde voordat het in de mond gesmolten was'.
Niet voor niets wordt pepermunt schertsend ‘kerkvoer’ genoemd. Hervormden sabbelden op een Faam (die waren wat zachter).

Stef Bos schreef er een liedje over, met de mooie regels:

“'Als de dominee op dreef was tegen oorlog en geweld en als ik alle kleine ruitjes van elk kerkraam had geteld. Dan greep mijn moeder in haar handtas Voor het juiste medicijn En ze gaf me witte pillen En die verzachtten alle pijn. Pepermunt Pepermunt Als de preek je gaat vervelen als je niet meer luisteren kunt.”

30 mei 2006

Duitse vocabulaire van dieven en landlopers.



Wie een studie wil maken over het Bargoens kan niet om het ‘Wörterbuch des Rotwelschen’ (uit 1956) van Siegmund A. Wolf heen.
Rotwelsch kunnen we vertalen als het Latijn (Welsch) van de bedriegers (rot). Naast Middelhoogduitse elementen bevat het oude Jiddische uitdrukkingen en begrippen uit Romaanse en Slavische talen.
In het "Liber Vagatorum" (1520) vinden we woorden terug die vandaag de dag nog steeds gebruikt worden door Weense landlopers en deernen.

Socioloog Roland Girtler behandelt in zijn boek ‘Rotwelsch. Die alte Sprache der Gauner, Dirnen und Vagabunden’ (1998, Böhlau Verlag Wien-Köln-Weimar) vooral de Oostenrijkse, en meer specifiek de Weense dieventaal.
In een twintigtal artikels gaat hij eerst dieper in op de geschiedenis van dieven, vagebonden en lichtekooien. Aan bod komen o.a. de betekenis van het woord ‘Rotwelsch’, de invloed van het Jiddisch, oude woordenboeken over de dieventaal, vagantenliederen, overleven op straat, soorten bedelaars en dieven, de trucs die ze gebruiken, het gevangenisleven, de tekens die ze nalaten op huizen.
In het tweede deel van het boek wordt het taalgebruik vakkundig onder de loep genomen. Vooral het hoofdstuk ‘Die Lebensbereiche des Rotwelsch’ is erg interessant. Het bevat een systematische opgave van woorden en uitdrukkingen uit het Rotwelsch die zich rondom een bepaald begrip lieten verzamelen. Via deze begrippenlijst vind je makkelijk bij het nette Duitse woord de vertaling naar het Rotwelsch.

Achteraan in het boek vind je nog een register van de behandelde termen uit het Rotwelsch.
Waarom is dit boek nu ook nuttig voor Nederlandstaligen?
Omdat er veel raakpunten zijn met ons Bargoens en omdat heel wat begrippen uit het Rotwelsch ons vertrouwd in de oren zullen klinken: Ponum (gezicht); Mischpoke (familie); Beis (huis); jovel (ons woordje ‘jofel’); Masematte (gestolen goed, maar ook: handel); chawer (ons woordje ‘gabber’).

Of de auteur volledigheid nastreefde betwijfel ik. Zo ontbreken bijvoorbeeld de termen ‘Hochstapler’ en ‘Porzellanfuhre’ (beide wel terug te vinden in het boek van Wolf).
Verder echter niets dan lof voor dit werk. Hopelijk vind het navolging.
ISBN 3-205-98902-3
255 p.
€ 23,80

25 mei 2006

Mieteballen.

In de jeugdtaal van de jaren tachtig van vorige eeuw werd 'mietebal' gebruikt voor een raar figuur, een zonderling. Het woord is een verbastering van het Amerikaans-Engelse slangwoord ‘meatball’ (gehaktbal).
Het wordt o.a. gesignaleerd door K. Laps (Nationaal Scheldwoordenboek. 1984).

Volgens de 'New Dictionary of American Slang' van Robert L. Chapman gebruikten Amerikaanse soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog het scheldwoord 'meatball' in de betekenis 'stom, vervelend persoon'.
Sedert 1940 gebruikt men ook het gelijkaardige meathead (iemand met vlees in plaats van hersens in zijn hoofd), wellicht een variant op het oudere 'fathead', of ontstaan onder invloed van meatball.
In de comedyserie 'All in the family', die in de jaren zeventig van vorige eeuw half Nederland en Vlaanderen aan de buis gekluisterd hield, noemde hoofdfiguur Archie Bunker (een uiterst conservatief burgermannetje) zijn liberale schoonzoon zo. Wanneer Archie echt kwaad was, werd het invectief zelfs uitgebreid tot 'Polack pinko meathead'. Dat de impact van deze sitcom erg groot was, bewijst een Amerikaans voorval uit 1983 (de show liep toen al naar zijn einde): een boze bruid schreef naar de lieve Lita van een krant (de redactrice die lezersbrieven beantwoordt) dat ze niet langer met haar vader sprak omdat hij tijdens de huwelijksreceptie zijn schoonzoon voortdurend introduceerde als 'my new meathead'. De columniste stelde overigens vergevingsgezindheid voor.

De variant 'meatball' werd ook in de mond gelegd van Henry Kissinger m.b.t. zijn president, Richard Nixon.
In 'The Final Days' van Bob Woodward en Carl Bernstein worden Kissinger's exacte woorden aangehaald: 'You tell our meatball President I'll be there in a few minutes'.
Incompetente chirurgie wordt in Amerika vaak smalend afgedaan als 'meatball surgery'. Het wordt immers beoefend door klungels of onbevoegde chirurgen in vaak primitieve omstandigheden. De term is trouwens populair geworden dankzij de Amerikaanse televisiekomedie M.A.S.H, bevolkt door zo'n stelletje gehaktballen.

24 mei 2006

Het F-woord.

Uit de Angelsaksische landen importeerden wij het ‘f-woord’ (een gelegenheidseufemisme voor fuck, niet alleen de daad, maar ook de krachtterm). Deze preutse formulering ontstond in de jaren zeventig van vorige eeuw in Amerika, waar het de oudere omschrijving (daterend uit 1934) ‘four-letter word’ (bij ons: drieletterwoord of schuttingwoord) verving.
Een decennium later zorgde dit patroon voor een vlaag van gelijkaardige formuleringen, gaande van ernstig (c-word voor cunt, kut), en polemisch (l-word voor liberal, in Amerika een te mijden term) tot grappig.

De Amerikaanse lexicograaf Jesse Sheidlower publiceerde in 1995 ‘The F-word’ met duizenden ongecensureerde citaten van wat door velen beschouwd wordt als het meest vulgaire woord uit de Engelse taal.

Ooit werd in het puriteinse Amerika een woord zoals ‘fuck’ in druk angstvallig vermeden of op hypocriete wijze gecastreerd tot f**k (de eerste keer dat het onafgekort in The New York Times verscheen was in 1998!), nu werd er zowaar een volledig woordenboek aan dit vulgarisme gewijd.
In de jaren tachtig van de twintigste eeuw werden ook in ons taalgebied constructies van letters met het achtervoegsel ‘woord’ populair. Voor journalisten is het een geliefde strategie geworden om indirect naar taboetermen te verwijzen door het gebruik van een ‘x-woord’ (waarbij x de eerste letter van dat woord is). Ook bij ons gaat het niet altijd om eufemismen. Vaak wordt het gewoon voor de grap gedaan (het p-woord voor poldermodel bijvoor­beeld) maar meestal gebeurt het in volle ernst: het a-woord (voor Aids, ook wel de Grote Ziekte genoemd), het c-woord (corruptie), het g-woord (genocide) enz. Er kunnen eindeloos varianten bedacht worden.

15 mei 2006

Capo's.

Bij het woord ‘capo’ denken we meteen aan een louche maffiabaas.

In het Italiaans betekent ‘capo’ echter gewoon chef of leider. Het woord, dat bij ons vooral bekend is geworden dankzij de populaire televisieserie ‘de Sopranos’, kan zowat overal gebruikt worden (in het restaurant, op het werk).

Toen VVD’er Hans Dijkstal zijn partijgenoot, fractievoorzitter Jozias van Aartsen, begin 2004 een ‘capo’ noemde, bedoelde hij uiteraard iets anders. Dijkstal verwees met dit woord naar de maffia of de ‘cosa nostra’, waar de leider ‘capo dei tutti capi’ (hoofd der hoofden of baas der bazen) heet. Een jaar eerder zorgde de Italiaanse premier Berlusconi op de tweede dag van zijn voorzitterschap van de Europese Unie voor een ongekende rel. Tijdens een debat in het Europees Parlement noemde hij de Duitse socialist Schulz de meest geschikte kandidaat om de rol van ‘capo’ of kampbeul te spelen in een Italiaanse film over de nazi-concentratiekampen. En in 2002 gebruikte de Amerikaanse bemiddelaar Anthony Zinni de taal van zijn land van herkomst, Italië, om Arafat te kunnen omschrijven als 'capo di tutti capi' (leider van alle leiders van de maffia). We mogen daarom gerust stellen dat ‘capo’ tegenwoordig een internationaal geliefd scheldwoord onder politici geworden.

09 mei 2006

Lijk in de kast. Deel 2.

De Britse auteur William Makepeace Thackeray (1811-63) gebruikte de uitdrukking in een verhaal dat hij in 1845 voor het tijdschrift Punch schreef. Het is de oudste Engelse vindplaats in druk, maar volgens de Oxford English Dictionary werd deze wending al lang voordien gebruikt. In ieder geval moet Thackeray ervan gecharmeerd geweest zijn, want tien jaar later, in 1855, gebruikte hij de uitdrukking opnieuw, deze keer in een stuk waarin hij een voorname familie aanviel: The Newcomes. Volgens de auteur heeft iedere familie minstens één lijk in de kast: een huiselijke bron van zorgen of schande, door het gezin verborgen gehouden. Zo kan een oom die aan de drank is of in de gevangenis verblijft, een lijk in de kast zijn! Het zijn dingen waarover men niet graag in het openbaar spreekt. Ze bezorgen de familie of de gemeenschap waartoe men behoort alleen maar een slechte naam.

Na Thackeray werd de uitdrukking verder gepopulariseerd door andere 19de-eeuwse Britse schrijvers zoals J.B. Priestley, Dickens en G.B.Shaw.

De herkomst blijft echter een mysterie. Volgens sommige lexicografen verwijst de uitdrukking naar een oud griezelverhaal over de zoektocht naar een echt gelukkig iemand, een persoon bevrijd van alle zorgen. Zodra zo iemand gevonden is, wordt hij door de vrouwelijke hoofdpersoon meegenomen naar een kamer. De vrouw opent een kast waarin een menselijk skelet ligt opgeborgen. Ik probeer mijn zorgen voor mezelf te houden, zegt ze, maar elke nacht verplicht mijn echtgenoot me om dat skelet te kussen. Het skelet is dat van een vroegere minnaar die door de echtgenoot gedood werd. Er bestaat evenwel geen enkel bewijs dat dit verhaal ooit werd opgetekend. Wellicht is het ontstaan in de fantasierijke geest van één of andere lexicograaf. Enkele woordenaars menen dat de wortels van deze uitdrukking in de anatomie liggen. De weten­schappelijke studie van de menselijke ontleedkunde is een vrij recente ontwikkeling. Vroeger weigerden artsen om in een lijk te snijden uit vrees voor de geest van de afgestorvene. Uit respect voor de doden verbood de Engelse wetgeving om aan ontleedkunde te doen. Een uitzondering vormde het snijden in het lichaam van een terechtgestelde misdadiger.

De wet over de anatomie veranderde in 1832. Vanaf toen werd de ontleding van een lichaam als studie en in het kader van wetenschappelijk onderzoek toegestaan. De opkomst van de moderne geneeskunde zorgde voor een grote vraag naar anatomisch materiaal, maar het aanbod was klein. Sommige artsen namen daarom hun toevlucht tot weinig scrupuleuze manieren van zaken doen. Ze kochten hun 'lijken' bij professionele grafplunderaars tegen buitensporig hoge prijzen. De meeste artsen konden tijdens hun loopbaan slechts één lichaam ontleden. Vanwege de publieke opinie was het natuurlijk gevaarlijk voor een arts om een lijk zo maar in zijn huis te houden. De voorzichtige anatoom verstopte het dus in een donkere hoek waar bezoekers het niet konden zien. De macabere handel tussen artsen en grafplunderaars was een kwestie van strikte geheimhouding en veel ambitieuze geneeskundigen hadden een skelet in hun kast. Als herkomstverklaring lijkt deze hypothese in elk geval geloofwaardiger. Maar, er blijven vraagtekens!

Eén enkele bron vermeldt namelijk een oudere variant van onze zegswijze: a black man in the closet. Een Engelssprekende denkt bij dit laatste automatisch aan de uitdrukking ‘a nigger in the woodpile’ (een addertje onder het gras), maar of dat er iets mee te maken heeft, is natuurlijk een andere vraag.

Eigenaardig is ook dat men in het 19de-eeuwse Frans het woord ‘cadavre’ gebruikte in de zin van 'laakbaar of strafbaar feit dat door de belanghebbende(n) geheim wordt gehouden'. Le Dictionnaire du Francais non conventionnel (Jacques Cellard & Alain Rey, 1991) citeert de roman L'amour a Paris (1886-1890) van een zekere Goron. Over un cadavre dans Ie placard heeft dit woordenboek van het informele Frans het niet. Wellicht is de rest er later, onder invloed van het Engels, bijgevoegd.

Een belangrijk 19de-eeuws Engels slangwoorden­boek vermeldt bij de uitdrukking ‘a skeleton in the cupboard’ niet alleen de varianten ‘locker, closet, house’, maar eveneens het Franse equivalent ‘cadavre’ (zonder nadere toelichting!). Daarmee kunnen we niet met zekerheid zeggen of de geestelijke vader van onze zegswijze nu een Fransman dan wel een Brit was.

In het Nederlands is de wending ‘lijk in de kast’ wel erg laat in zwang gekomen. Daar onze politici regelmatig in internationale kringen verkeren, is het niet denkbeeldig dat zij de zegswijze hebben opgevangen van hun Engelstalige collega's.

In de Nederlandse Tweede Kamer (hetgeen in België Kamer van Volksvertegenwoordigers heet) vallen er regelmatig politieke lijken, zij het dan niet uit een kast!

Een ‘lijk’ is in het Nederlandse politieke jargon een belediging of een krachtterm gebruikt tegenover een kamerlid of een bevriend staatshoofd. Zo'n onparlementaire uitlating of onwelvoeglijk woord mag niet in de officiële notulen of 'Handelingen' worden opgenomen. Daarom moet het apart, als lijk geklasseerd worden. De voorzitter van de Kamer moet ervoor waken dat een Kamerlid zich van zo'n ‘lijk’ bedient. De meest voor de hand liggende lijken zijn beledigingen in de aard van 'leugenaar', 'schoft' of vloeken zoals 'verdomme'. Toen Kamerlid Marcel van Dam de regering in 1980 beschuldigde van 'leugens', moest dit op aandrang van de Kamervoorzitter veranderd worden in: ‘het tegendeel van de waarheid heb ik zelden pregnanter gehoord.’

03 mei 2006

Lijk in de kast. Deel 1.

Een politicus in het nauw maakt rare sprongen. Zeker wanneer er dingen aan het licht komen die hem of zijn partij schade kunnen berokkenen. De pers wil er in zo'n geval haring of kuit van hebben, waardoor de politicus in kwestie als aangeschoten wild wordt beschouwd.
Zijn goede naam staat op het spel. Dergelijke compromitterende feiten zorgen voor een getroebleerd geweten. Een schandaal of misstap houdt men het liefst in de doofpot, want de werken der duisternis verdragen geen daglicht. Maar soms gebeurt het dat 'de lijken uit de kast vallen', zoals dat heet in het politieke jargon. Bij het aantreden van een nieuw kabinet worden er weleens 'lijken in de kast' van het vorige kabinet gevonden. Er bestaan ook 'politieke lijken', maar die zitten niet in een kast verstopt. In Nederland beschikt de voorzitter van de Kamer over een hele verzameling van dergelijke 'lijken'.
Kunt U nog volgen, lezer, of is dit allemaal Politchinees voor u ?

De metaforische uitdrukking 'een lijk in de kast' wordt sedert ca. 1985 gebruikt voor een verborgen affaire die iemand in de problemen kan brengen als ze openbaar wordt.
Toen in mei 1988 in België de socialistische partij weer aan het bewind kwam na het rooms-liberale kabinet Martens-Verhofstadt, spaarde de nieuwe begrotingsminister Hugo Schiltz (VU= Volksunie) zijn kritiek niet op de door zijn voorganger, Guy Verhofstadt, doorgevoerde besparingsmaatregelen. Er zullen nog lijken uit de kast vallen! zei Schiltz tegenover de verzamelde pers. Het vorige kabinet had namelijk gaten in de begroting achtergelaten met als gevolg: niet voorziene uitgaven waardoor er bijkomend gesnoeid moest worden. Zeven jaar later zat de SP ook met lijken in de kast.

De Haagse Post van 12/11/1988 gebruikte de wending 'lijk in de kast' in de zin van een niet verwachte financiële tegenvaller.
Begin jaren negentig van vorige eeuw lijkt de uitdrukking meer ingeburgerd te zijn, want de aanhalingstekens zijn verdwenen. Toch zijn het vooral politici die geporteerd zijn voor deze macabere beeldspraak. HP/ De Tijd van 25/6/1993 heeft het over de lijken in de kast van In 't Veld die de politici zo aan het schrikken hebben gemaakt dat ze de staatssecretaris zo vlug mogelijk wensten te lozen. De oudste Nederlandse vindplaats is evenwel een roman. Zo schrijft Mensje van Keulen in Engelbert (1987): Dat kan ik niet aan mijn nichtje vertellen. Die vindt dat er in mijn kasten lijken hangen.

De uitdrukking suggereert een ontlening aan één of ander vergeten horrorverhaal. Toch gaat het hier niet om een oorspronkelijk Nederlandse schepping. In het vier jaar later gepubliceerde De lach van Schreck (van dezelfde schrijfster) vinden we in het hoofdstuk 'Het geraamte in de kast' een verwijzing naar de oorspronkelijk Engelse zegswijze:
In de laatste paar jaar zijn er in die buurt drie jonge mensen omgekomen. Eén door zelfmoord, één door brand, en dan was er nog een kind dat met een touw speelde. Maar de mensen zeggen hier: Hush hush, there's a skeleton in the cupboard...U kijkt wat verbaasd. Ah! Ik begrijp dat het raar klinkt als je het letterlijk neemt. Het betekent dat ieder huis wel een of andere narigheid kent die je maar beter geheim kunt houden.
In het Amerikaanse Engels spreekt men over a skeleton in the closet, terwijl Britten i.p.v. closet het woord cupboard gebruiken.

Blijkbaar vonden ook de Fransen dit een beeldrijke zegswijze, want zij hebben het over un cadavre (un squelette) dans Ie placard. Le Petit Robert omschrijft dit anglicisme als: un scandale, une affaire peu avouable dans son passé, que l'on ne tientpas a divulguer.

01 mei 2006

Christenhond.

In 1880 publiceerde Pieter Louwerse zijn roman ‘Vlissinger Michiel’. Daaruit volgende regels: ‘Koppige christenhond,’ riep nu de Moor, ‘weet gij dan niet, dat ik uw heele schip met lading en al nemen, en jou en je volk als slaven verkoopen kan, als gij mij blijft weigeren dat laken voor den prijs, dien ik u bied af te staan?’

Christenhond (soms voorafgegaan door ‘schurftige’) is een minachtende benaming voor een christen. Dit scheldwoord heeft de afgelopen jaren voor heel wat beroering gezorgd.
Zo werd Parool-columnist Theodor Holman in 1995 net niet veroordeeld voor zijn uitspraak dat ‘iedere christenhond een misdadiger is.’ En in ‘Het ironische van de ironie’noemde Harry Mulisch zijn collega Gerard Reve een ‘christenhond’.
Het Meldpunt Discriminatie Amsterdam vroeg in 2000 het openbaar ministerie om een Volkskrant-column van Jan Blokker te bekijken op beledigende teksten. Eerder had het meldpunt een klacht ontvangen over de columnist. Die had geschreven dat Aad van den Heuvel ,,hetzelfde type chistenhondenhoofd'' had als Aart Zeeman. De klager vond die zinsnede beledigend voor alle christenen.
In 1998 beklaagde hij zich al over uitlatingen van Paul de Leeuw die ook het woord 'christenhond' gebruikte. De Leeuw bood toen zijn excuses aan en nodigde de klager uit in zijn uitzending. Oorspronkelijk is dit scheldwoord de naam die door de Mohammedanen aan de Christenen werd gegeven. Het gaat om een leenvertaling uit het Turks. In de islamitische leer is de hond zo onrein als het varken.

Subtiel kwetsen kan ook. De in 2004 vermoordde cineast en columnist, Theo van Gogh, liet zich ooit door een allochtone tv-zender interviewen met zijn hond op zijn buik. Wat op het eerste zicht onschuldig leek, was bedoeld als een provocatie. Een niet-Mohammedaan of ‘christenhond’ wordt door de Turken een ‘giaur’ genoemd. Het woord komt van de Perzen, die een aanhanger van Zoroaster, een vuuraanbidder, een ‘gaur’ noemden. Samenstellingen met hond slaan doorgaans op slechte mannen, denk bijvoorbeeld aan bloedhond en helhond. Vgl. ook de Franse argotterm ‘halouf’ (van het Arabische woord voor varken), dat in dezelfde zin wordt gebruikt.

25 april 2006

Bambi en de Rottweiler.

In het Nederlands verscheen er tot nu toe bij mijn weten slechts één woordenboek van bijnamen (en dan nog uitsluitend van sportfiguren).

Engelssprekenden zijn dol op ‘nicknames’. Om de haverklap verschijnt er in het Angelsaksische taalgebied wel een boek rond dit onderwerp. De Fransen hebben sedert verleden jaar ook een klein naslagwerkje waarin de draak wordt gestoken met de mannen en vrouwen der macht, van gisteren en vandaag. Thierry Le Rolland stelde de ‘Dictionnaire des surnoms’ samen. Ondertitel: ‘Les meilleurs sobriquets des personnalités qui font l’Histoire et l’actualité.’

Het is een erg vermakelijk en informatief boek geworden. Politici, schrijvers, artiesten, niemand ontsnapt aan de papieren uppercut. We komen wereldfiguren tegen zoals de huidige paus (zijn vroegere bijnaam was ‘le Panzer Cardinal’); Johannes Paulus II (l’athlète de Dieu); Dubya (George W. Bush); Bambi (Tony Blair); Bill Clinton (le président Téflon, al dacht ik dat die bijnaam voorheen al op Ronald Reagan van toepassing was), prinses Diana (la Princesse du peuple), Camilla Parker Bowles (le Rottweiler), Hillary Clinton (Woodstock, vanwege haar hippiesentimenten); Satchmo (Louis Armstrong). Er zit zowaar één Nederlander tussen: de schrik van alle Fransen, Frits Bolkestein. Zijn bijnaam, u raadt het al: Frankenstein!

Maar omdat Fransen nu eenmaal chauvinisten zijn, wordt de hoofdmoot van dit boek gereserveerd voor bekende Franse personages. Een kleine greep uit de grabbelton: Bibiche (bijnaam van Pompidou); le Bulldozer (Chirac), le Castor (Simone de Beauvoir); le Crocodile (René Lacoste) ; le grand crocodile (Victor Hugo) enz enz.

De bijnamen staan alfabetisch geklasseerd maar achterin het boek zit een register waarmee je snel de bijnaam (of bijnamen) van een beroemdheid kunt terugvinden. Achter iedere bijnaam zit uiteraard een interessant verhaal en zoiets maakt dit werkje juist boeiend.

Thierry Le Rolland: Dictionnaire des surnoms. Editions Favre. 287 p.

SA. ISBN 2-8289-0852-6

Het boek maakt deel uit van een reeks Franse woordenboeken. Eveneens aanbevolen:

Patricia Vigerie: Dictionnaire des gros mots. ISBN 2-8289-0798-8

Pierre Merle : Mots de passe. Dictionnaire de l’argot de la prostitution. ISBN 2-8289-0835-6

22 april 2006

Het hol van Pluto.


Het Antwerps is een wereldtaal. Niemand die daaraan durft te twijfelen.
Dat Antwerpenaren over veel humor beschikken is ook genoegzaam bekend. Mocht u daar nog niet van overtuigd zijn, koop dan onmiddellijk ‘Het groot Sinjorenboek’ van Freddy Michiels.
Deze duizendpoot schreef niet alleen de in 2004 bekroonde misdaadroman ‘Het Hollywood Complot’, hij werkte ook nog eens 24 jaar in de filmjournalistiek, was uitgever van een maandblad voor het bedrijfsleven en ooit in een grijs verleden droeg hij de pet van hoofdredacteur van de Antwerpse Post. Uit die periode dateert zijn liefde voor het Antwerps.
Over dat dialect verschenen er al meerdere boeken maar deze pil steekt het ‘Woordenboek van het Antwerps Dialect’ van Jack De Graef naar de kroon.

Het is een flink uit de kluiten gewassen woordenboek, mooi uitgegeven bovendien. Iedere pagina nodigt uit tot lezen en… glimlachen. De Antwerpse woordenschat wordt zoveel mogelijk fonetisch weergegeven, maar dan wel in begrijpelijke mensentaal, niet in hiërogliefen.
Als we het goed begrijpen is dit slechts het eerste deel, in het najaar zou een tweede deel volgen met spreuken en zegswijzen.

Eindelijk lezen we waarom de Gazet van Antwerpen al sinds mensenheugenis ‘de Frut’ wordt genoemd en waar het scheldwoord ‘jannet’ vandaan komt. We weten nu ook waar Boemmerskonten, Borgerokko, Sjakkamakka en Teuttereweuttere zich bevinden.
Bij ieder lemma wordt wel een aardige anekdote of tooggrap verteld. Ook de etymologie wordt meestal gegeven, en die is vaak verrassend te noemen (zie bijvoorbeeld ‘amigo; kabardoesj; lorejas; makak; marode; raake stinkerd; rotzak; scharminkel’). Jammer genoeg vinden we geen informatie over de herkomst van o.a. de oelewapper.
Typisch Antwerpse benamingen zijn o.a. ‘baron-zeep; betonnen klakske; boerentram; den Bunker; Canadablokken; drol van Janus; Kielse rat; de Konaanepaap; sjokkedaazen; tjoeksjoek.’ Andere woorden en uitdrukkingen komen dan weer bekend voor:
‘azaanzeiker; babbelwater; bitskoemmer (vgl. de Bargoense term bietskommer); blauw-blauw; broekhoest; buktem (denk aan de Bargoense term bukshag); cordon sanitaire; engeltjesmokster; Eroscenter; fok (bril); hoerenmadam; hotel den houten lepel; Jezismarante; karakterdanseres; klokkenspel; marode; parlevinker enz.’
Het is zeer de vraag of dit wel typisch Antwerpse woorden zijn.
Overigens, wat doen Engelse termen zoals ‘bimbo’ en ‘junkmail’ in een woordenlijst van het Antwerps? Een goede eindredacteur had deze en andere schoonheidsfoutjes (een aantal hinderlijke zetfouten in de omschrijvingen) eruit kunnen halen.
Nu staat de uitdrukking ‘het hol van Pluto’ op twee plaatsen in het boek: één keer onder het lemma ‘hol’, een tweede maal onder ‘Pluto’, met telkens een andere uitleg.
We zullen het voorlopig maar ‘blauw-blauw’ laten maar hopelijk wordt één en ander gecorrigeerd in een tweede druk. Die mag voor mijn part nog best wat aangedikt.
Het groot Sinjorenboek van Freddy Michiels is uitgegeven bij Artus, paperback, 544 p., leeslint, € 24,95, ISBN 90-809-0354-X..

16 april 2006

Lefgozers met lefpetjes.

Weet iemand nog wat een lefpetje is? Ik kwam het woord niet zo lang geleden tegen in een artikel in Vrij Nederland. De tekst ging over een ‘hosselende wakaman’ (over beide begrippen hebben we het hier een tijdje geleden al gehad) die de klep van zijn ‘lefpetje’ achterstevoren droeg.
‘Lef’ wordt al sedert 1860 in de volkstaal gebruikt voor moed, durf. Het werd ontleend aan het Hebreeuwse ‘lebh’ (hart, moed). Bij ‘lefpet’ kon ik (Vlaming zijnde) mij geen voorstelling maken.

Bespaar u de moeite want het woord staat niet (meer) in Van Dale, noch in enig ander woordenboek. Zelfs het WNT, de schatkamer van onze taal, doet er het zwijgen toe. Wel opgenomen zijn de ‘lefgozer’ (een durfal of opschepper) en het ‘lefdoekje’ (fijn zakdoekje dat als versiering in de borstzak wordt gestopt. In Vlaanderen noemt men dit een stoefzakdoek).

Deze woorden dateren van begin twintigste eeuw. ‘Lefgozer’ vinden we al terug in een Bargoens Woordenboek uit 1906. De term komt ook al voor bij de Amsterdamse volksschrijver Is. Querido (De Jordaan. 1912): ‘Sau'n lefgauser .... sau'n ribbemaus.’

Het ‘lefdoekje’ vinden we reeds in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 1927. Van Dale kent het nog steeds en omschrijft het woord als ‘pochet’.

Waarom dan ook niet de ‘lefpet’ opgenomen? Ik veronderstel dat de samenstellers van het woordenboek deze (Bargoense) term hebben geschrapt omdat ze meenden dat niemand dit woord nog gebruikt. Gelukkig staat ‘lefpet’ nog wel in de grote Koenen uit 1986.

We komen te weten dat het hier een grote, opzichtige pet betreft; meestal een uniformpet.

Auteurs zoals Jan Cremer, Jan de Hartog en Piet Bakker kennen de ‘lefpet’ wel want ze gebruikten het woord wel eens in hun boeken. De oudste vindplaats tot nu toe is 1922. Het woord heeft dus prima stand gehouden.

Persoonlijk vind ik het daarom tijd voor een herwaardering van de ‘lefpet’.

Volgende week: 'Het hol van Pluto.'

09 april 2006

Zappers, zippers en kanaalzwemmers.

De Amerikaanse auteur Philip Francis Nowlan is niet alleen de geestelijke vader van de stripheld Buck Rogers - naar een roman van zijn hand gete­kend door Dick Calkins - hij was ook de bedenker van het woord zap. Toen het stripverhaal in 1929 van start ging, zocht Nowlan een woord dat het geluid kon simuleren van het laserpistool, waarvan zijn hoofdrol­speler gebruik diende te maken. Zap - vrij vertaald zoiets als wam - vond hij erg goed klinken. Vrij vlug maakte het woord ook opgang in andere Amerikaanse science fictionstrips, zoals bijvoorbeeld Captain Marvel, en in spionageverhalen uit die tijd. Tijdens de Vietnamoorlog werd deze onomatopee door de soldaten overgenomen als een werkwoord in de zin van doden of vernietigen met een uitbarsting van geschutvuur, vlam­men of elektrische stroom. Journalisten zorgden voor een verdere ver­breiding van deze term. Een beroemd geworden artikel van de Sunday Times uit 1966 ging onder de kop "The general goes zapping Charlie Cong" (Charlie Cong was een slangbenaming voor de Vietcong-guerrilla). Het werkwoord to zap, in de betekenis van doden, schieten, raken, werd daarna spoedig populair in kindertaal. Zo kon je een kind dat met zijn hand een pistool maakt, horen zeggen: "Zap, je bent dood!". In die zin betekent het ook 'doen alsof (men iemand dood wil schieten)'. Eind jaren zestig van vorige eeuw raakte het werkwoord ook ingeburgerd in sportkringen. Het kreeg toen de betekenis van ‘verslaan, de baas worden’. Al naar gelang van de context kon het ook betekenen iemand verbaal aanvallen (in het homojargon van de jaren zeventig bijvoorbeeld: een bepaalde organisatie bestoken met vragen, lastig vallen, politieke actie voeren), een diepe indruk op iemand maken, snel bewegen, zoeven, vliegen, racen. In de medische terminologie wordt het gebruikt in de zin van elektroshocks toedienen (als vorm van therapie). Parachutespringers kennen het in de betekenis van meer dan vijf meter van het doel landen en bijgevolg falen in een wedstrijd.
Zap als zelfstandig naamwoord voor een slag en minder frequent voor ruzie, onenigheid, duikt op rond 1969 en ontwikkelt zich verder tot energie, pit, pep. Zo heeft men het over "the zap of the language" en leest men wel eens "hè lost some of his old zap". Zappy, als variant van zippy, komt in dezelfde periode in zwang. Het betekent energiek, pittig, levendig. Rond 1980 krijgt 'to zap' pas de beteke­nis die wij aan zappen hechten: met behulp van de afstandsbediening de reclameboodschappen op t.v. omzeilen en voortdurend overschakelen naar een ander televisiekanaal. (In Italië probeert men dit verschijnsel tegen te gaan door een striptease tussen de programma's te plaatsen!) Wij hebben het woord 'to zap' vernederlandst door toevoeging van -en. Van Dale Hedendaags Nederlands (2de druk) en Verschueren zijn de eerste Nederlandse woordenboeken die zappen opnemen.
De meeste woordenboeken vermelden nu ook het synoniem kanaalzwemmen, een woordgrapje dat veel te mooi is om in de vergetelheid te raken. Kanaalzwemmen werd eind jaren tachtig van vorige eeuw door het Parool populair gemaakt (maar niet gelanceerd). De redactie had de term naar eigen zeggen ontleend aan een column van Kees van Kooten.
In het boek ‘Jemig de pemig’ van Ewoud Sanders heb ik ‘kanaalzwemmen’ niet gevonden. Het woord is dan ook geen trouvaille van Koot en Bie. Mogelijk gebruikte Kees van Kooten het in één van zijn boeken of krantencolumns. Even waarschijnlijk liet hij zich daarbij inspireren door de Amerikaans-Engelse term ‘to channel-hop’ die reeds in mei 1972 werd opgetekend in een Amerikaanse tv-gids. Het synoniem ‘to channel surf’ duikt voor het eerst op in een Amerikaans neologismenboekje uit 1993 (Trash cash, fizzbos and flatliners).
Zowel Webster’s New World Dictionary of Media and Communications en NTC’s Mass Media Dictionary (beide uit 1990) verzwijgen dit woord.

Net zoals zappen kwam de woordspeling ‘kanaalzwemmen’ vooral in gebruik tijdens de Golfoorlog in 1991. Kijkers scha­kelden toen van het ene net naar het andere om het nieuws te kun­nen volgen.
Volgens onderzoek verricht door advertentiebureaus zappen jonge­ren meer dan ouderen en mannen meer dan vrouwen. De ferventste zappers zouden sportfanaten zijn. Zij ontwijken de reclamebood­schappen door ondertussen een korte fractie van de sportwedstrij­den op andere netten op te van­gen.
Het is dan ook begrijpelijk dat -vooral in de VS - reclamebureaus en tv-stations zich ernstig zorgen maken over dit verschijnsel. Zappen of zapping heeft tegen­woordig alles te maken met het wegdrukken van tv-spots. Maar ook in de computerwereld wordt het een onrustwekkend feno­meen, want daar betekent zappen het vernietigen van bestanden. Ook deze betekenis gaat terug op het geluid "zap", dat vroeger in stripverhalen aan een laserstraal werd toebedacht.. Philip Nowlan zal wellicht nooit vermoed heb­ben dat zijn creatie voor zoveel opschudding zou zorgen, toen hij het woord in 1929 bedacht. Zappen mag evenwel niet ver­ward worden met zippen, dat er wel op lijkt, maar toch iets hele­maal anders is. Zippen staat voor het snel verder spoelen van recla­meboodschappen of andere ongewenste programma-onder-delen die op video werden opge­nomen.

(dit artikel verscheen in Nederlands van Nu, april 1993 en werd hier lichtjes aangepast)